Zo zwart als roet

De nachten waren lang. Hij lag al een poosje naar het dak te staren. Het dat wat zich ergens in het pikkedonker bevond. Als hij wakker genoeg was geweest om zijn arm omhoog te brengen had hij het schuine dak war hij vlak onder lag aan kunnen raken, maar er was te weinig licht in deze vervallen stede om ook maar iets te ontwaren. Bij het binnenvallen van de eerste zonnestralen rekte hij zich en zette zich recht, zijn hoofd stotend aan het dak. Zijn paard brieste om aan te geven dat het ook wakker was en tijd voor vers water. Hij begon met het zoeken van hout om een vuur te maken zodat hij het water kon koken voordat hij het in zijn waterzak zou stoppen. Het geluk lachte hem toe, er lag nog wat droog stookhout gestapeld bij de vuurplaatst. Het aanmaken ging vlot, het paard kwam naderbij, de nacht was koud geweest en hij voeld nu hoe zijn lichaam schreeuwde om warmte, zo stond hij daar een poos, zich verwamend, zijn blik in de vlammen. Fascinerend. Toen zijn gedachten genoeg gedwaald hadden zette hij zich tot de taak die hem nu wachtte, de put.

Buiten was het alweer goed licht geworden en de put op het erf was nu snel gevonden. De emmer had geen gaten onderin, of de kieren nog waterdicht waren was nog maar te bezien. Het touw zag er nog redelijk uit. Met een paar ferme rukken controleerde hij voor de zekerheid of het touw niet zou breken bij het weer ophalen van de emmer vol water. Hij keek over de rand de diepte in, een heel diep gat, onderin een hele vage glintering en weerkaatsing op wat wel water moest zijn. Hij liet de emmer langzaam aan het touw zakken. Zijn paard leek dorstig over zijn schouder mee te kijken. Hij was nu al halfweg met het touw. De emmer leek ergens op te blijven hangen en het touw hing nu slap. “Hey!”. Hij schrok. Een stem uit de put? “Hallo?”. Riep hij terug. Zijn stem echode na in het donker daar beneden. Verder bleef het stil.

Leave a comment

Your email address will not be published. Required fields are marked *