Lente

Het onzienbare

Ik zit vast. Op de bodem, ingegraven. Beschut tegen de koude winter. De temperatuur begon te dalen, eerst ongemerkt. Ik maakte mijn rondes nog zonder zorgen. Totdat het omslagpunt kwam. Mijn lijf begon te tintelen, alle alarmbellen gingen af. De winter was in aantocht. Naarstig schoot ik weg, op zoek naar een geschikte plek. Met mij ook de anderen. Tijd voor de winterslaap.

En nu lig ik hier dus, vast en bewegingsloos. De winter was te koud. Te koud om te overleven. Dus waarom leef ik nog? Leven de anderen ook nog? Ik kijk verzwakt om me heen, veel vang ik nog niet op, mijn ogen nog wazig, ik zie de bewegingsloze lichamen van anderen om me heen.. Slapen ze? Wachten zij ook tot de tinteling van het winteralarm vervaagd en ze weer hun leven kunnen oppakken. Ik ben nog te verzwakt om echt wakker te worden. Mijn lijf tintelt nog steeds, het is nog te vroeg. Ik verval weer in mijn slaap.

Het tintelen in mijn lijf is opgehouden. Mijn zintuigen werken weer op volle kracht. De geur die zich om mij heen heeft verspreid is alles behalve aangenaam. Ik voel wat prikken in mijn zij. Ik open mijn ogen en zie rafelige flarden en schilfers om me heen dwarrelen. De stank doet het duizelen in mijn hoofd. Weg moet ik hier. Het is niet goed. Als ik eten in mijn maag zou hebben was het daar niet lang gebleven. Ik probeer te bewegen, kijk wat er zo prikt in mijn zij, een rij scherpe witte punten. Uit een grijze brij die langzaam als modder in elkaar zakt. Het is een van de anderen, of wat er van hem over is. De winter was te koud. Te koud om te overleven. Ik lag onderop. Onderop de rottende berg die mij in leven heeft gehouden. Ik kijk omhoog, ik moet weg, een rottende kop met dode ogen drijft tussen mij en de zon.

Join the Conversation

1 Comment

Leave a comment

Your email address will not be published. Required fields are marked *