Er zit beweging in

Het beest had iets in zich. Een klein puntje. Een stip. Daarmee was het beest ook zelf iets geworden, ook al was het niet meer dan een klein gloeiend oogje. Hoe klein ook, het beest was nu oneindig veel meer dan al het niets wat er om hem heen was. Het kleine gloeiende oog smeulde langzaam de randen van het niets weg. Het beest begon te voelen. Te groeien, van binnenuit. Bewust van zichzelf. Onwennig. Overweldigend. Machtig en beangstigend. Het beest was groter dan ooit, toch voelde hij zich vreselijk klein. Kwetsbaar, het beest moest hier weg, op zoek naar een veiliger oord. Maar waarheen? Waar moet je heen als er niets is? Waar moet je heen als je het enige bent wat tastbaar is? Het enige gloeiende puntje in het allesomvattende niets? En waarvoor zou je dan weg moeten? Weg, dat is het enige dat het beest kon bedenken. En weg ging hij. Als hij niet zou bewegen kon het vuur wel eens doven, alles wat hij was, alles wat er was zou weer verdwijnen in het niets. Dus stap voor stap voor stap, trage grote passen, het vuur begon nog heftiger te branden, de warmte stroomde nu volop door zijn ledematen. Hij was op weg.

Leave a comment

Your email address will not be published. Required fields are marked *