De maan achter de wolken

Hij miste het vuur. Het verbranden van dingen. Het flakkeren van de tongen die gulzig om de voorwerpen heen dansten alvorens ze op te eten. Te verteren. Tot er niets meer over was dan een donker hoopje as. Het constante monotone jammeren van de verloren zielen die hun spullen zo zagen vergaan was eenvoudig te dempen door wat kooltjes in je oren te stoppen. Het krijsen echter hielden de kooltjes niet tegen. Soms sprong de bezitter van die dingen in het vuur om zijn spulletjes nog te redden. Tevergeefs. Gillend, jankend om het verlies van hun futuliteiten werden zij verteerd door de bezitterigeid die ze al hun hele leven in de ban hield van van alles wat ze niet nodig hadden gehad maar meer dan alles koesterden. De vlammen hadden zo hun eigen wil en luisterden enkel naar hen die het vuur stookte en voedde. Dat was zijn taak. Een taak die hem ergens genoegdoening gaf. Een taak die hij met veel liefde voor het vuur wist uit te voeren. Overtuigd dat het goed was om bewustzijn te creëren, dat het loslaten van het slijk der aarde hen verder zou helpen. De stroom spullen en bezitters was eindeloos. Dag in dag uit hield hij zijn geliefde vuur brandend, stiekem hopend dat het nooit zou hoeven doven. Maar was hij door dit vol overgave te doen, vooral omdat hij zich er goed bij voelde en gebaat was bij het nooit eindigen van deze hebberigheid, niet veel anders dan de zielen die hij tergde door hun zo begeerde spullen af te nemen. Zoals de vlammen knaagden en vraten aan de bezittingen, knaagden het gedempte gejammer en gekrijs langzaam aan zijn overtuiging.

Hier was het koud. Donker. Eenzaam. Af en toe kwam er vanboven een puntje licht. Een flauw schijnsel van de maan die flets blauw licht weertkaatste door het kleine gat daarboven tot de wolken zich weer pakten en het schijnsel verdween en weer plaats maakte voor het donker, hem het kleine puntje hoop weer ontnam. Alleen in zijn gedachten, die spookten en kaatsten als de echo’s van het geluid in deze donkere koker die hem gevangen hield. Gevlucht om weer vast te komen zitten, nog te hoopvol en nog niet doorgedraaid genoeg om alles los te laten en zich te verlaten op dat wat zou wachten als hij de weg terug in één sprong zou wagen en zijn laatste momenten met een gevoel van voldoening het eigen lot in handen te hebben genomen. Hij was zover gekomen, verder dan hij ooit had durven dromen, dat hij hier nu vast zat, niet verder kon, de wanden te glad om verder te klimmen was iets waar hij meer tijd aan moest besteden. Meer tijd, dat had hij genoeg nu hij geen andere verplichtingen meer had, zich aan niemand hoefde te verantwoorden anders dan aan zichzelf. Alle tijd van de wereld, de eenzaamheid had zo toch ook wel zijn voordelen.

Hij keek omhoog, vaag zag hij de contouren van het gat, de zwarte randen met de diep donker grijze wolken erachter.

 

Leave a comment

Your email address will not be published. Required fields are marked *